Zorgvraagzwaarte GBGGZ

De hulp in de Generalistische basis GGz wordt onder verdeeld in de zogenaamde zorgvraagzwaarte pakketten, zoals onder beschreven in de genoemde patiëntprofielen.
In de verwijsbrief van de huisarts staat een vermoeden van een eventuele dsm diagnose en kan al een product worden voorgesteld.

De patiëntprofielen worden als volgt omschreven in Beleidsregel BR/CU-7158:

KORT
1. Er is sprake van een DSM stoornis.

2. De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft problematiek van lichte ernst.
Er is sprake van relatief weinig kernsymptomen maar dit is wel voldoende om een diagnose te stellen. De impact van de klachten op het dagelijks functioneren is beperkt, de patiënt ervaart een zekere belemmering in het dagelijks functioneren.
3. Er is sprake van een laag risico.
Er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, geweld of automutilatie.
4. Er is sprake van een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit.
Er is weliswaar sprake van comorbiditeit of problematiek ten aanzien van persoonlijkheid, zwakzinnigheid, somatische factoren of psychosociale en omgevingsproblemen, maar deze interfereert niet met de behandeling van de hoofddiagnose.
5. Er zijn aanhoudende/persisterende klachten. Eerdere interventies hebben onvoldoende effect bewerkstelligd.

MIDDEL
1. Er is sprake van een DSM stoornis.

2. De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft problematiek van matige ernst.
De kernsymptomen behorend bij het ziektebeeld zijn aanwezig en er is sprake van waarneembare beperkingen in het dagelijks functioneren.
3. Er is sprake van een laag tot matig risico.
Ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen zijn er geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, geweld of automutilatie. Is wel sprake van een latent gevaarsrisico dan staan daar beschermende factoren tegenover zoals: adequate coping, werk of structurele daginvulling en een steunsysteem waarop men dagelijks kan terugvallen voor toezicht, zorg, praktische en emotionele steun.
4. Er is sprake van een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit.
Er is sprake van comorbiditeit of problematiek ten aanzien van persoonlijkheid, zwakzinnigheid, somatische factoren of psychosociale en omgevingsproblemen, maar deze interfereert niet met de behandeling van de hoofddiagnose.
5. De duur van de klachten beantwoordt aan de criteria uit de DSM richtlijn voor het betreffende ziektebeeld.

INTENSIEF

1. Er is sprake van een DSM stoornis.
2. De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft ernstige problematiek
De meeste symptomen behorend bij het ziektebeeld zijn aanwezig. Er is sprake van uitval en/of substantiële beperkingen in het dagelijks functioneren.
3. Er is sprake van een laag tot matig risico
Er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar. Is er wel sprake van een latent gevaarsrisico, dan staan er beschermende factoren tegenover zoals: adequate coping, werk of structurele daginvulling en een steunsysteem waarop men dagelijks kan terugvallen voor toezicht, zorg, praktische en emotionele steun.
4. Er is sprake van een enkelvoudig beeld tot lage complexiteit.
Er is sprake van comorbiditeit of problematiek ten aanzien van persoonlijkheid, zwakzinnigheid, somatische factoren of psychosociale en omgevingsproblemen, maar deze interfereert niet met de behandeling van de hoofddiagnose.
5. De duur van de klachten beantwoordt aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende ziektebeeld.

CHRONISCH
1. Er is sprake van een DSM stoornis.
2. De gemiddelde zorgvraagzwaarte betreft risicogevoelige stabiele of instabiele chronische problematiek of ernstige problematiek in remissie.
3. Er is sprake van een laag tot matig risico.
Er zijn ondanks de aanwezigheid van klachten/symptomen geen aanwijzingen die duiden op gevaar voor ernstige zelfverwaarlozing of verwaarlozing van naasten, decompensatie, suïcide, geweld of automutilatie. Is er wel sprake van een latent gevaarsrisico, dan staan daar beschermende factoren tegenover zoals: adequate coping, werk of structurele daginvulling en een steunsysteem waarop men dagelijks kan terugvallen voor toezicht, zorg, praktische en emotionele steun.